COLUMN / Hier kun je me niet vinden
© Maria Stanculescu
In deze vierdelige columnreeks verkent Loes van Rooij de dunne lijnen tussen moederschap, schrijverschap en vrouwelijkheid. Vanuit alledaagse, intieme momenten stelt ze grotere vragen over identiteit, zichtbaarheid en de blik van de ander. Wat betekent het om jezelf te laten zien, en wie ben je wanneer je bekeken wordt?
Op mijn telefoon kom ik een filmpje tegen van mijn negenjarige dochter en een vriendin. Ze zijn druk met een knutselproject en nemen dat ondertussen op, zoals ze kennen van de YouTube-vloggers die zij leuk vinden om naar te kijken. Soms gaan ze even op in hun project. Dan zie ik gewoon twee kinderen, gebogen over iets waar ze aan werken. Ze zijn op hun gemak bij elkaar. Bij mijn kind steekt haar tong een beetje uit, zoals altijd als ze geconcentreerd is.
Maar dan richten ze zich weer op, ineens bewust van de opname die ze nog aan het maken zijn. Hun stemmen gaan omhoog: ‘Sorry dat jullie even op ons moesten wachten!’ De gezichten gladgestreken. Het is een spel dat ik goed ken, dat ik zelf ook probeer te spelen, al zou ik willen dat zij dat nog niet hoeft.
“De rode vlekken in mijn gezicht die zich daarbij aftekenen, kun je niet zien.”
Wat doet het met ons wanneer we ons bekeken voelen? Hier, op deze plek, noem ik mezelf schrijver. De rode vlekken in mijn gezicht die zich daarbij aftekenen, kun je niet zien. Hier kan ik bepalen. Ik hoef niet bang te zijn dat ik een bedrieger ben, ik weet dat het zo is.
In Maskerade van Aline D’Haese, over vrouwelijke bedriegers, lees ik over menselijke identiteit als een vorm van bedrog. Hoe ver we daarin gaan verschilt per persoon. Een imposteur eigent zich een identiteit toe, verzint een verhaal dat niet het hare is, klampt zich eraan vast – roept: ik ben schrijver.
Toch is dat niet hetzelfde als het impostersyndroom, waar met name veel vrouwen last van lijken te hebben. In dat geval is er wel sprake van de toe-eigening van een rol, dat gepaard gaat met de angst om ontmaskerd te worden, maar niet met de bedoeling de ander te misleiden. Misschien zijn het twee zijdes van dezelfde wip: een menselijke conditie die voortdurend balans houdt tussen schijn en oprechtheid.
Die spanning herken ik ook in mijn verschijning. Op mijn Instagram staat mijn naam met als ondertitel ‘schrijft’, het werkwoord in plaats van de identiteit. Als ik zeg dat ik schrijf, is dat onmiskenbaar waar. Als ik zeg dat ik schrijver ben, is dat niet per se zo.
“Niet het kijken was per ongeluk, maar de indruk die het achterliet wel.”
Toen ik kind was, verstopte ik me vaak in het keukenkastje onder de gootsteen. Die kast had een kinderslot, een haakje dat moest voorkomen dat de deur verder dan een handbreed openging. Daar, in het donker, tussen de bleek en de allesreiniger, voelde ik me veilig. Ik had per ongeluk Jurassic park gezien. Niet het kijken was per ongeluk, maar de indruk die het achterliet wel. ‘It’s inside,’ fluistert de zus paniekerig tegen haar broertje wanneer de raptor de keuken binnenkomt en met zijn klauwen de klink blijkt te kunnen bedienen.
Sindsdien ben ik plekken blijven zoeken waar ik niet gevonden kon worden. Er zijn angsten die komen kijken bij het zichtbaar maken van jezelf. In Creative living beyond fear somt Elizabeth Gilbert ze op. Ik tel ze op mijn vingers: bang dat je wordt afgewezen, bekritiseerd, verkeerd begrepen, dat je een cliché bent, dat je omgeving je uitlacht, dat alles al gedaan is, dat je te oud bent om te beginnen, dat je een imposter bent.
Toch kunnen we niet zonder die blik van de ander. In mijn werk voor de klas leerde ik dat er drie soorten aandacht zijn: positieve, negatieve en geen aandacht. Kinderen vragen vaak negatieve aandacht als ze geen positieve krijgen. Ik zie het ook bij mijn eigen kinderen. Als ze niet gezien worden, gaan ze fratsen uithalen, de clown uithangen, klieren, alles beter dan genegeerd worden.
Zonder de ander kunnen we niet zichtbaar zijn. Volgens de Franse filosoof Jean-Paul Sartre definiëren en bezien we ons voortdurend door de blik van de ander. Ik ken die blik goed, weet nog wanneer hij zich voor het eerst echt liet zien. Het was in groep 8, op het hockeyveld waar ik weinig aansluiting vond bij het schreeuwerige meisjesteam. Ik voelde het ongemak in mijn ledematen zakken, terwijl een ouder meisje riep dat ik de bal moest pakken. En ineens zag ik hoe zij mij moest zien: een weinig spontaan kind, met een gebrek aan durf in het spel. Sindsdien voelt het alsof er altijd iemand meekijkt.
Narcissus zag zijn eigen reflectie in het water en kon niet ophouden met kijken. Hij keek tot er niets meer van hem over was. Ik zie mijn kind naar haar evenbeeld staren, verschillende gezichten uitproberen. ‘Unless I’m myself, I’m nobody’, schreef Virginia Woolf.
Misschien is het tijd om uit de kast te komen.
Loes van Rooij is schrijver en docent. Ze schrijft (korte) verhalen die onder andere verschenen in Op Ruwe Planken en op de longlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Onder de naam Loes Oero maakt en verspreidt ze feministische poëzieprints. Tussendoor sleutelt ze aan een debuutroman. In haar werk onderzoekt ze het gebrek aan verbinding van de mens met zichzelf en zijn omgeving en is er altijd plek voor bijzondere beesten en underdogs.