Met het verdwijnen van Studio Skoop verliest Gent meer dan een cinema
Studio Skoop Gent
Met de sluiting van Studio Skoop verliest Gent meer dan een cinema. In deze tekst onderzoekt Ans Van Gasse wat het verdwijnen van het legendarische filmhuis betekent voor de stad, haar cinefiele gemeenschap en het cultuurbeleid.
Het doek valt definitief. Na jaren van horten en stoten sluit Studio Skoop deze kerst de deuren. Eigenaar Walter Vander Cruysse (71) gaat vier jaar na de officiële pensioenleeftijd voor een welverdiende rust, maar zijn vertrek zet het Gentse filmlandschap in lichterlaaie. Terwijl de Sphinx verbouwt en de Skoop verdwijnt, zit de Gentse cinefiel de komende jaren op zijn honger.
Het schemert al jaren in onze filmstad. In een krantenknipsel uit 2000 benoemde Walter Vander Cruysse reeds zijn hoop op overname. Al 25 jaar wacht het filmhuis aan het Sint-Annaplein op een nieuw tijdperk dat maar niet komt. Toch werd begin november, bij de aankondiging van de sluiting, prompt een petitie opgestart. ‘Skoop mag niet sluiten’, schreeuwt cinefiel Gent. Hoe is het zover kunnen komen? En waar gaan we straks heen?
De cinema als ontmoetingsplaats
Ik spreek Rik Stallaerts, filmhistoricus, scenarist en ooit deel van het meubilair in Studio Skoop. Hij vertelt me over het ontstaan van Studio Skoop. In een Gent getekend door industriële vervuiling en verval, richtte een kleurrijke Nederlander een onafhankelijke cinema op. Ben Ter Elst, die voorheen naar eigen zeggen Europa doorzwierf om zijn favoriete films te kunnen zien, kocht het pand aan het Sint-Annaplein en legde daar de basis voor zowel Studio Skoop als het Internationaal Filmgebeuren (nu FilmFest Gent).
De bioscoop werd opgekalefaterd en was van meet af aan meer dan filmzaal. Molenwiekend tegen de conservatieve moraal van de Christelijke Volkspartij in het toenmalig stadsbestuur, vond menig Gentse culturo er een thuis. Stallaerts beschrijft wilde jaren, waarin zangeres Nico gratis optrad in het café en aan ondernemingszin geen gebrek was. Na woelige tijden en financiële strubbelingen professionaliseert Studio Skoop uiteindelijk onder de vleugels van Walter Vander Cruysse, wanneer hij in 1983 pand en programmatie overneemt.
“Wild, vrijgevochten, gebeten door cinema, soms misschien ook té ongebreideld in dat vuile Gentse Wilde Westen.”
Paya Germonprez, vormgeefster van de Skoop-affiches en drijvende kracht achter de bioscoop in de vroege jaren ’70, beschrijft in haar boek ‘Skopiumschuivers’ die community uit de beginjaren. Wild, vrijgevochten, gebeten door cinema, soms misschien ook té ongebreideld in dat vuile Gentse Wilde Westen. Hoewel die wilde seventies tot de verbeelding spreken, is nostalgie niet nodig.
Ook vandaag is Studio Skoop immers een ontmoetingsplaats. Als huis met meerdere zalen blijft het garant staan voor een inventieve programmatie. Vandercruysse investeerde in zijn infrastructuur, maar ook in nieuwe organisaties en jonge (film)makers. Intussen loopt Gent vol filmliefhebbers, die aan hun trekken komen in wijkcinema’s, KASKCinema of bij de programmatie van collectieven en festivals die mee programmeren in Sphinx en Skoop.
Einde van de individuele aanpak
“We zitten vandaag in Gent met een rijk filmlandschap, maar ik denk dat die tijd van de persoonlijke aanpak voorbij is,” zegt Rik Stallaerts wanneer ik hem vraag naar de oorzaak van de sluiting. Het Gentse filmlandschap van Sphinx en Skoop zou volgens hem zijn ontstaan in een tijdperk waarin één iemand met een goed idee en veel passie nog iets uit de grond stampte. De rest ging schijnbaar vanzelf. “Vandaag de dag heeft een vzw oprichten en onderhouden veel meer voeten in de aarde.” Ook vastgoed is vandaag gemiddeld 15 keer zo duur als in de jaren ’70 volgens Kenniscentrum Vlaamse Steden. En daar wringt het schoentje.
De nitty gritty van het sluitingsverhaal komt neer op de bureaucratische consequenties van lege portemonnees. Het rijke filmlandschap in Gent heeft niet alleen publiek en bezielers, maar vooral ruimte nodig. Dat die ruimte en infrastructuur beperkt wordt ligt moeilijk. Vander Cruysse zoekt inmiddels al jaren naar een overnemer voor zijn pand. Verschillende onderhandelingen vonden plaats met Stad Gent, die uiteindelijk haar pijlen richtte op Cinema Rex in de stationsbuurt.
“Er werd hoopvol gekeken naar het stadsbestuur, maar ook nu werd niet bijgesprongen.”
Er was nog even hoop toen distributeur Lumière wel een toekomst zag in de Skoop. Na gunstige onderhandelingen bleek echter dat de nieuwe eigenaar het gebouw meteen volledig zou moeten vernieuwen richting brandveiligheid. En dat voordat er inkomsten zouden kunnen worden gegenereerd. Een investering die Lumière, dat ook net een cinema opende in Geraardsbergen, momenteel niet kon dragen. Er werd hoopvol gekeken naar het stadsbestuur, maar ook nu werd niet bijgesprongen.
In rijke filmcultuur moet je ook investeren
“Ik heb op een bepaald moment geopperd dat men Lumière als nieuwe eigenaar even moest laten draaien in de Skoop, zolang ze de belofte zouden maken dat die renovaties in de nabije toekomst zouden gebeuren. Maar daar is niet op ingegaan”, reageert Stallaerts met enige frustratie. Studio Skoop werd dus niet gered, omdat er geen potentiële overnemer is die uit eigen zak kan voldoen aan de renovatievoorwaarden.
Het stadsbestuur zou daarin natuurlijk een belangrijke rol kunnen spelen. Want dat bloeiende filmlandschap laten doodbloeden is toch een culturele verpaupering? Studio Skoop, schijnbaar opgerezen uit de assen van de lelijke oude industriestad, kan zomaar verdwijnen zonder duidelijk alternatief. Wat zegt dat over de waarde van die rijke filmcultuur in Gent?
Lennart Soberon, die als programmator bij KASK cinema en filmonderzoeker aan de VUB een deel van dat filmlandschap voedt, schreef samen met Paya Germonprez een opinie over het Skooplooze Gent. Ze benadrukken hoe het al te gemakkelijk is om te wijzen naar het prijskaartje alleen. “Ik denk dat we ook moeten kijken naar hoe we al een aantal jaar werken als sector”, zegt Soberon. “Gent heeft inmiddels echt een bloeiende cinefiele community. Er is honger naar film die je niet snel ergens anders in Vlaanderen gaat vinden. Vanuit de stad wordt daar nog te weinig rond gewerkt.”
We maken onszelf klein
Terwijl Kinepolis volgens eigen berichtgeving de bezoekersaantallen met 11,1% ziet dalen, is de opkomst voor onze arthouse-bioscopen stabieler. De gemiddelde blockbuster wordt gestreamd, maar een obscure Turkse Supermanparodie krijgt de filmliefhebber wél nog in een fluwelen zeteltje. Maar Kinepolis maakt dankzij dure snoepzakken en Premium-toevoegingen alsnog evenveel winst. Dat een stadsbestuur een commerciële speler niet ondersteunt is logisch, maar sluipt in het subsidiebeleid intussen dezelfde bedrijfslogica?
Cinema is een plek om samen te huilen, dromen of lachen. Een plek van rust. Voor die rust moet er ruimte en flexibiliteit zijn. Iets wat een meer toekomstgericht beleid zou bieden, volgens Soberon. Volgens hem werd de voorbije tien jaar nog niet genoeg op lange termijn gedacht. Als filmorganisaties ruimte krijgen om te vertonen en op adem te komen, kunnen we blijven floreren. En zo’n basis begint bij een goed beleid.
Volgens hem zijn we terechtgekomen in een systeem waarin de grote instituten groter worden, maar de kleinere initiatieven in precariteit verkeren. “We maken onszelf klein. Uit een soort dankbaarheid durven we niet op tafel kloppen”, zegt hij. “Er staat zoveel druk op gesubsidieerde organisaties. Wanneer je een subsidie invult, moet je reflecteren op het voorbije jaar. Dat is een vorm van zelfkannibalisatie. Want met ongeveer dezelfde middelen zul je de komende termijn nog méér doen. We moeten misschien ook durven stoppen met groeien.”
Volgens Sobéron moet een stadsbestuur zich in de eerste plaats afvragen wat voor (film)cultuur ze wil. En als ze willen kiezen voor durf en verscheidenheid, zal bewust moeten gekozen worden voor het uitdiepen en ondersteunen van kleine spelers. Winstmaximalisatie zou daar niet bij mogen worden betrokken. Rik Stallaerts, die ook nog in de commissie van het Kunstendecreet heeft gezeteld, beschrijft een gelijkaardig sentiment. “Ik weet nog hoe aan ons werd gevraagd om met de kaasschaaf rond te gaan. Je begint op die manier voornamelijk na te denken hoe je ‘creatief’ kan omgaan met een verkleind budget.”
De honger van het Gentse filmpubliek staat dan ook haaks op de infrastructuur van de stad. Soberon pleit daarom voor een cinefiel Gent dat samenwerkt, onder begeleiding van een betrokken stadsbestuur. Een gemeenschapsversterkend subsidiebeleid zet actief in op het creëren en schenken van infrastructuur en verbindt de bestaande vzw’s. Hij kijkt ook naar Nederland, waar kunstcinema’s meer stimulans krijgen vanuit de staat.
“Het zou mooi zijn als de stad hier een breed gedragen, collectief verhaal van maakt.”
Gelukkig is Soberon niet alleen in zijn visie, die al grotendeels in de praktijk gebracht wordt dankzij het Gents Kunstenoverleg. “We zitten hier met een heel mooi landschap, dat vooral nood heeft aan emotionele en communicatieve infrastructuur. Het zou mooi zijn als de stad hier een breed gedragen, collectief verhaal van maakt.”
Tegelijkertijd kan Walter Vander Cruysses onwrikbare besluit om de deur dicht te trekken ook een nieuwe impuls zijn. Stallaerts mijmert daarover: “Misschien heeft cultuur af en toe een schok nodig om zichzelf te herdenken. Uiteindelijk was de daadkracht van die wilde seventies in die tijd ook het gevolg van culturele armoede.”
Ans Van Gasse maakt dingen — soms theater, soms beelden, soms muziek, soms woorden. Ze houdt van samenwerken, van vragen stellen en van het zoeken naar onverwachte perspectieven op wat we vanzelfsprekend vinden. In haar werk schuurt het vaak een beetje, maar dat mag.