Zonder publieke omroep verdwijnt een groot deel van onze cultuur
Jonas van Hest schrijft over wat er verloren gaat wanneer cultuur uit het publieke bestel verdwijnt. Over bezuinigingen bij de publieke omroep, de afbraak van zichtbaarheid en waarom talentontwikkeling niet begint bij succes, maar bij gelegenheid.
De culturele sector stond al onder spanning, maar de recente bezuinigingen bij de publieke omroep leggen bloot hoe kwetsbaar het geheel eigenlijk is. In Nederland werd jarenlang gedacht dat cultuur in het publieke bestel een vaste plek had. Een vanzelfsprekend onderdeel van wat we delen en doorgeven. Maar in één politieke beslissing valt een groot deel van die basis weg. Deze beslissing is een aderlating van 200 tot 350 miljoen. Niet eerder is de sector zo hard getroffen.
De Taskforce Culturele en Creatieve Sector is een samenwerking van meer dan 100 branche-, beroeps- en belangenorganisaties en noemt de gevolgen “groot” en “structureel”. Dat is een beheerste formulering. In de praktijk betekent dit dat hele programmalijnen verdwijnen. Wat verdwijnt, is niet alleen zendtijd. Het is zichtbaarheid. De route waarlangs makers hun eerste stappen zetten. De publieke ruimte waar kunst niet hoeft te concurreren met marktaandelen.
Juist de programma’s die de publieke omroep onderscheiden, worden geraakt. NPO 2 Extra stopt. NPO Soul & Jazz verdwijnt. Festivalverslaggeving wordt vrijwel volledig geschrapt. Daarnaast houden tientallen radio- en tv-titels op te bestaan. Volgens de omroepen zelf zijn de ingrepen te groot en te abrupt om op te vangen. Dit raakt niet de randen, maar de kern.
Een tastbaar voorbeeld is het einde van Zomergasten. Na 37 jaar stopt het programma. Ook Vrije Geluiden verdwijnt. Bij de VPRO verdwijnen 35 tot 45 banen. Dat zijn niet alleen cijfers, maar redacties, technici en programmamakers- mensen met kennis en ervaring die je niet eenvoudig opnieuw opbouwt.
“Zomergasten was meer dan een titel. Het was een van de weinige plekken waar tijd en verdieping zelf nog een functie had.”
Zomergasten was meer dan een titel. Het was een van de weinige plekken waar tijd en verdieping zelf nog een functie had. Waar iemand drie uur mocht denken, spreken en nuanceren, zonder te worden teruggebracht tot soundbite. Het programma liet zien dat een publiek wél bereid is om te luisteren. Met het verdwijnen ervan verdwijnt ook een norm: dat publieke media mogen verdiepen, niet alleen entertainen.
De Taskforce waarschuwt dat deze verschraling verder reikt dan de publieke omroep zelf. De omroep fungeert als doorgeefluik naar een groter publiek. Makers uit onder meer jazz, klassieke muziek, beeldende kunst, literatuur, architectuur, dans, erfgoed en vernieuwende popmuziek vinden elders nauwelijks structureel podium. Voor veel van deze disciplines bestaat geen commercieel alternatief. Online platforms bieden zelden continuïteit of redactionele begeleiding. Zonder de publieke omroep valt een hele keten weg: van talentontwikkeling tot regionale zichtbaarheid, van experiment tot vernieuwing.
Wat daarbij vaak wordt onderschat, is hoe essentieel de publieke omroep is voor beginnende makers. Voor kunstenaars en artiesten zonder netwerk of vaste podia biedt de omroep iets wat elders nauwelijks bestaat: een eerste moment van zichtbaarheid, nog voor bewezen succes.
Talentontwikkeling begint niet bij succes, maar bij gelegenheid. Bij de mogelijkheid om te verschijnen, te proberen en te falen zonder meteen te verdwijnen. Wanneer die plekken wegvallen, wordt de drempel hoger en blijft talent vaker ongezien. Die verschraling raakt niet alleen het huidige aanbod, maar bepaalt ook wat er over vijf of tien jaar nog kan ontstaan. Wie de instroom afknijpt, bepaalt wat later nog zichtbaar wordt.
Volgens de Taskforce dreigt vanaf 2027 een groot deel van de culturele breedte uit het publieke bestel te verdwijnen, niet omdat het publiek het niet wil, maar omdat de plekken waar de cultuur zichtbaar kan worden verdwijnen. Eerst wordt er bezuinigd, daarna wordt het bestel herzien. Dat is, zoals zij stellen, een keuze voor de termijn en tegen vernieuwing.
Talentontwikkelaars zoals QISSA zien deze gevolgen dagelijks. Zij werken met jonge makers voor wie zichtbaarheid geen bijzaak is, maar een noodzakelijke stap in hun ontwikkeling. In hun reactie benadrukt QISSA dat talent veel breder aanwezig is dan de mogelijkheden om ermee aan de slag te gaan. Jongeren hebben plekken nodig waar ze kunnen experimenteren, terugkomen en groeien, en waar ze worden gezien op basis van potentie in plaats van bereik.
“Want talentontwikkeling vraagt niet alleen begeleiding, maar ook zichtbaarheid.”
QISSA ziet hoe kunst jongeren helpt om taal te vinden voor hun ervaringen, zelfvertrouwen op te bouwen en deuren te openen die anders gesloten blijven. Zij maken zich zorgen dat bezuinigingen de continuïteit van zulke trajecten aantasten. Want talentontwikkeling vraagt niet alleen begeleiding, maar ook zichtbaarheid. Makerstrajecten die nergens kunnen landen, blijven in de schaduw. Als die ruimte kleiner wordt, wordt de stap naar het podium groter.
Wat hier zichtbaar wordt, is een verschuiving die vooral de kwetsbare delen van het culturele landschap treft. Niet de mainstream, die altijd wel een weg vindt, maar makers met minder vanzelfsprekende toegang: jonge talenten, makers met biculturele achtergronden, queer kunstenaars, experimenterende documentairemakers en schrijvers die niet in vaste formats passen. Hun verdwijnen is niet alleen een artistiek verlies, maar ook een maatschappelijk verlies. Wat niet gezien wordt, wordt niet herinnerd.
Daarbij speelt ook een regionale dimensie. Veel programma’s die nu verdwijnen, waren een venster naar cultuur buiten de Randstad. Als die vensters sluiten, verdwijnt ook die diversiteit uit het collectieve bewustzijn. Cultuur die niet zichtbaar is, wordt al snel gezien als minder relevant.
In de kern gaat dit debat niet over budgetten, maar om de vraag wat een samenleving zichtbaar wil maken. Of kunst en cultuur alleen mogen bestaan als ze goedkoop zijn, of dat ze een essentieel onderdeel zijn van hoe we onszelf begrijpen. De Taskforce benoemt het helder: de publieke omroep heeft de wettelijke opdracht om ruimte te bieden aan kunst en cultuur, juist omdat de markt dat niet doet.
Wanneer die opdracht wordt uitgehold, ontstaat een leegte die niet vanzelf wordt opgevuld. Die leegte is niet symbolisch. Het is een verlies aan cultuur, taal, verhalen, perspectieven en collectieve verbeeldingskracht. Het kost jaren om redacties op te bouwen die weet hoe je cultuur toegankelijk maakt. Jaren om een format geloofwaardigheid te geven. Jaren om een maker te begeleiden van eerste schets tot volwassen werk. Het afbreken daarvan kost één politieke beslissing.
De vraag is dan ook niet hoeveel er bezuinigd wordt, maar wat er verloren dreigt te gaan, en of we bereid zijn dat verlies te accepteren. Want een samenleving die haar culturele infrastructuur afbreekt, bouwt tegelijkertijd aan een smaller en beperkter idee van zichzelf.
Jonas van Hest is schrijver en docent. Hij schrijft over cultuur en maatschappelijke zichtbaarheid en publiceerde eerder bij Winq, De Kanttekening en Instondo.