COLUMN / Restmens
© Maria Stanculescu
In deze vierdelige columnreeks verkent Loes van Rooij de dunne lijnen tussen moederschap, schrijverschap en vrouwelijkheid. Vanuit alledaagse, intieme momenten stelt ze grotere vragen over identiteit, zichtbaarheid en de blik van de ander. Wat blijft er over van de vrouw die je was, en hoe geef je ruimte aan alles wat je óók nog bent?
De laatste tijd vraag ik me weleens af in welk leven ik terecht ben gekomen. Het leven van een andere vrouw, een moeder. Ik word wakker en ik snap niet hoe ik hier ben beland, alsof ik me begeef in een droom waarin ik geen grip krijg op de onsamenhangendheid. Ik kijk rond, zie een verfrommelde sok onder de verwarming, een vaatwasser piept. Mijn handen vullen broodtrommels, vlechten haar in, weten routineus wat te doen. Avond na avond ruim ik speelgoed op dat zich de ochtend erna weer door het huis verspreidt.
Schrijven over moederschap is een slippery slope waar ik me niet aan zou wagen, heb ik vaak gedacht. Te sentimenteel, te platgetreden, te seculier, te veel doemscenario of juist te roze-wolkig. Toch lijk ik er telkens naar terug te keren. Als een varken losgelaten op een truffelveld wroet ik tussen wortels naar antwoorden op een vraag die ik niet gesteld heb.
In Dodeman schrijft Uschi Cop over twee zussen die opgroeien met een depressieve moeder en een gewelddadige vader. Ze trekken veel samen op, maar vinden uiteindelijk hun uitweg in andere levens. De ene in de rol van radicaal feminist, de ander in het ogenschijnlijk comfortabele harnas van huisvrouw en moeder. De vechter en de vluchter. De boze zus schrijft aan haar moederzus over een voorstelling die ze zag waarin bomen bloeien en tegelijk fruit dragen. ‘Dat is onmogelijk. Enkel in de tuin van Eden, voordat de vrouw alles naar de verdoemenis hielp, kon zo’n weelde bestaan. […] Misschien probeert elke vrouw hetzelfde te doen, te laten uitschijnen dat ze tegelijkertijd fruit en bloem kan voortbrengen. Maar dat is niet zo. Als het zo lijkt, is het een schijnvertoning. Er is altijd een keuze. Vrucht of bloesem. Kind of kunst.’
‘Wat als’ vraag ik me nooit af. Ik zou geen idee hebben waar die vraag me zou brengen. Toen ik koos voor de vrucht, studeerde ik nog. Een leven van abstracte vormen, voortdurend onderweg, tot er ineens een duidelijke lijn verscheen. De keuze was instinctief, een ‘ja’ als een magere zwerfkat die zich op een onverwachte maaltijd stort. Tijd om te zien wie ik achterliet was er niet.
‘Restmens’ wordt zij genoemd in Als de dieren, de debuutroman van Lieselot Mariën. We volgen een ik-figuur die kijkt naar een nieuwe moeder en stilletjes besluit haar te verlaten. Er is geen plek meer voor haar. ‘In mijn moederschap ben ‘ik’ slechts in naam aanwezig: strelend, zorgend, maar hol als een lokeend aan de rand van een vijver. […] Die vrouw. Die fictie. Die lokeend: dat is zij. De vrouw die achterbleef in de keuken. Dat gat is wat ik werd, nadat ik me omdraaide, de trap af liep, en vertrok.’ De moeder moedert door, niet wetend dat een deel van haarzelf is weggegaan.
Toen ik mijn zus vertelde van mijn tweede zwangerschap, moest ze huilen. Ze had zich iets anders voorgesteld voor mij, een andere ambitie of ontwikkeling. Ik weet nog dat het me ontroerde, dat we erover hebben gepraat, dat ik haar geruststelde.
Op heel veel manieren ben ik laat van de partij. Om mij heen denken mensen bewust na over de rol die ze willen aannemen, wel of niet moeder worden, op welke manier, in welke vorm. Mijn moederschapsrol was in eerste instantie weinig performatief. Ik droeg het kind, baarde het, ik was de moeder ervan. Toen de eerste middag de kraamhulp wegging en ons alleen liet met onze dochter, vroeg ik me af waarom ze dacht dat dat kon. Ik had niks gedaan wat aantoonde dat ik haar in leven zou houden.
Ik ben een dromer, escapistisch, niet bijzonder gestructureerd, heb een grote drang naar mijn neus achterna gaan. Vaak veroordeel ik mijn onrust, het is de eigenschap die het minst matcht met mijn idee van de zorgende, geduldige moeder. Het mens waarop gebouwd moet worden.
Of een kind baren hetzelfde is als een verhaal verzinnen, vraagt de feministische zus zich af in het boek van Cop. ‘Het schrijven van een leven? Of is het meer zoals lezen: leven door een ander leven te observeren. Leef je écht als je enkel leeft door je kind, wanneer je je autonomie voorgoed hebt opgegeven?’
Deze zus heeft dezelfde twijfels als ik. Mijn dochter werd een vaste grond, een rode draad. Ik denk dat ik moet toegeven dat ik geen enkele beslissing meer heb genomen zonder die draad in mijn handen te voelen, te volgen.
Het meest van alles hou ik van het begin van iets. Jong en naïef moeder worden was misschien ook een bevrijding. Het begon niet als een sprookje en heeft zich ook niet zo ontvouwd. In die zin was het een eerlijk begin: chaotisch en onvoorspelbaar. Een kladleven waarin we ons rommelige best deden, met ruimte om te proberen en te stoeien. Nu, veertien jaar later, kijk ik verdwaasd om me heen. Slaat het gemis me alsnog om de oren.
Ik moet denken aan een gedicht van de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker, waarin zij terugdenkt aan haar jeugd in Gordonsbaai, waar ze veel op avontuur ging in de natuur met haar zus. ‘Hier, aan dit Valkenburg, ben ik ontvlucht / en droom mij nu in Gordonsbaai terug’. Ze kijkt naar haar jonge zelf, van wie ze afscheid heeft moeten nemen. ‘Mijn lijk ligt uitgespoeld in wier en gras / op al de plekken waar ik met je was’.
Er gaan geluiden op om het woord moederteit op te nemen in het woordenboek. Een soort equivalent van de puberteit, die net zulke ingrijpende en definitieve veranderingen met zich meebrengt als de metamorfose van mens naar moeder. Ik ben op het punt gekomen dat ik denk: mooi niet. Een puberende moeder die weigert wat dan ook definitief achter te laten.
De ik-figuur en de moeder in Als de dieren vinden elkaar weer. Het enige wat de moeder hoefde te doen was te ontwaken, het op het juiste moment op te merken. Het klinkt simpel en misschien is het dat ook. Waarom niet hiermee beginnen? Ik doe mijn armen open. Wij, het moedermens en ik, beslissen. Hoe autonoom we zijn bepalen we zelf wel. Kom er maar in, roepen we. Het kind en de kunst. Alle ikken en de rest.
Loes van Rooij is schrijver en docent. Ze schrijft verhalen en essays (soms iets ertussenin) die verschenen op literaire plaatsen zoals Seizoenszine, Het Rode oor en binnenkort op DIG, maar ook in verloskamers, openbare wc-ruimtes en op een duo oude wilgen. In haar werk onderzoekt ze thema's als het valse zelf, autonomie, moederschap en het loslaten van rollen. Er is altijd ergens plek voor bijzondere beesten en underdogs.