De versie van mij die eerder niet mocht bestaan

Jonas Van Hest onderzoekt hoe identiteit niet vaststaat, maar gevormd wordt door de ruimte die je jezelf (niet) geeft — en wat er gebeurt wanneer een andere versie van jezelf die ruimte opeist.

“Wat wil jij eigenlijk?”

Mijn antwoord was sneller dan mijn twijfel: “Wat ík wil? Alles waar ik vroeger geen ruimte voor kreeg.”

Vanaf dat moment stond hij naast me. Mijn alter ego. De brutale versie van mij. De versie die niet eerst drie seconden wacht voordat hij iets zegt. De versie die geen boodschappenlijstje in zijn hoofd maakt van wat wel of niet kan. De versie die een grap terug maakt, zelfs als hij twijfelt of het veilig is.

Er loopt een alter ego met me mee. Niet eentje die midden in de nacht op rooftocht gaat of in een cape over daken rent. Die van mij: doodgewoon. Hij kiest dingen die ik vroeger liet liggen. Een felle trui. Het stevige woord. Een plek aan tafel die gezien wordt. 

Geen trauma uit mijn jeugd. Geen oude schaduw. Geen verhaal van vroeger. Een klein moment.

Hij duikt op de vreemdste momenten op. Tijdens een gesprek waarin iemand zegt dat “we allemaal hetzelfde zijn”, fluistert hij: vraag maar eens door. Aan tafel met vrienden steekt hij een wenkbrauw op wanneer iemand iets te snel oordeelt over een ander. In winkels laat hij me ineens kiezen wat ík mooi vind, niet wat veilig of neutraal is. Soms zet hij net een stap te ver naar voren. Maar hij heeft er geen last van. Hij beweegt gewoon door.

Hij is soms vermoeiend. Er zit een koppigheid in hem. Diplomatiek of voorzichtig is hij niet altijd. Hij gooit vragen in een gesprek alsof het niets is. “Waarom denk je dat eigenlijk?”, “Hoe weet je dat zo zeker?”, “Hoe zou jij reageren als dit over jou ging?”
Vroeger bleven die vragen hangen in mijn keel. Bij hem niet. 

Het grappige is dat mensen hem leuk vinden. Ze zien hem als sociaal, open, direct. Ze zeggen dingen als: “Je bent zo uitgesproken geworden.” Dan glimlach ik, maar ergens denk ik: “Ze kennen alleen deze versie van mij. Ze houden van hem. Ze weten niet wie hem nodig had.”

Mijn favoriete moment met hem was vorige zomer, tijdens een etentje. Iemand vroeg wat mijn achtergrond was en deed dat op dat haast nieuwsgierige, maar toch beoordelende manier. Je voelt het meteen. De spanning zit niet in de vraag, maar in de verwachting erachter.

Vroeger gaf ik een antwoord dat alles gladstreek.

“Wil je het oppervlakkige antwoord of het eerlijke antwoord? Ze smaken heel anders.”

Maar mijn alter ego leunde achterover, dronk een slok wijn en zei met een glimlach: “Wil je het oppervlakkige antwoord of het eerlijke antwoord? Ze smaken heel anders.”

De hele tafel lachte. Niet uit ongemak, maar omdat het bevrijdend klonk. Ik keek naar hem en dacht: “Oké, dit werkt. Misschien is het goed dat je er bent.”

Hij doet nog meer dingen die ik vroeger niet durfde. Hij komt laat binnen op feestjes zonder zich te verontschuldigen. Hij geeft complimenten zonder ze te verzachten. Hij vraagt om wat hij nodig heeft. Hij laat mensen dichterbij komen dan ik gewend ben. Soms wil ik hem bij de arm grijpen en zeggen: “Rustig aan, je kent deze mensen niet goed genoeg.” Maar hij kijkt me dan bijna schuin aan. Alsof hij wil zeggen: “Laten we dit eens proberen.”

Het is niet zo dat hij altijd gelijk heeft. Hij kan ook overdrijven. Een keer liep hij weg uit een gesprek dat hem niet beviel. Ik keek hem toen niet aan. Maar hij heeft iets wat ik niet had: hij gelooft dat hij ruimte mag innemen. Hij twijfelt daar nooit aan. Dat is misschien wel zijn grootste kracht.

Jaloezie speelt geen rol. Maar ik leun soms op hem. Vooral op momenten dat oude reflexen opduiken: de neiging om voorzichtig te zijn, om eerst te scannen, om mijn stem te dempen. Dan staat hij naast me, armen over elkaar, wachtend tot ik een keuze maak. Hij wacht alleen. Hij neemt het niet van me over. Maar dat wachten is soms al genoeg om me door te laten gaan.

Hij is een soort tegengewicht voor de jongen die ik vroeger was. Niet omdat die jongen fout was, maar omdat hij te veel verantwoordelijkheid droeg. Te veel moest begrijpen, te veel moest inschatten. Veel van mijn voorzichtigheid is door hem ontstaan. Veel van mijn alertheid ook. En dat gaat niet vanzelf weg.

“Hij is de versie van mezelf die ik had willen kennen toen ik zestien was.”

Mijn alter ego tilt dat gewicht niet weg, maar balanceert het. Hij geeft er lucht aan. Humor. Brutaliteit. En soms, eerlijk gezegd, een beetje charme. Hij is de versie van mezelf die ik had willen kennen toen ik zestien was. Dan had ik hem niet als alter ego nodig gehad, maar als vriend.

Iedereen heeft zo’n versie van zichzelf. Hij komt pas opdagen als je ruimte krijgt om te ademen. Een versie die je leert dat je niet hoeft te kiezen tussen voorzichtigheid en vrijheid. Je kunt beide dragen, zolang je weet wanneer welke nodig is.

Mijn alter ego heeft geen naam. Hij is meer een houding. Een schouder die net iets rechter staat. Een blik die niet eerst de uitgang zoekt, maar gewoon de kamer in kijkt.
Hopelijk blijft hij nog even. Niet om mij te beschermen. Dat doet hij niet. Maar om me eraan te herinneren dat ik inmiddels zelf kan kiezen hoe ik binnenkom, hoe ik ga zitten, hoe ik spreek.

Hij is de versie van mij die niet langer bang is voor zijn eigen ruimte.
Misschien ben ik dat nu ook. Soms. Op dagen dat het lukt.


Jonas van Hest is schrijver en docent. Hij schrijft over cultuur en maatschappelijke zichtbaarheid en publiceerde eerder bij Winq, De Kanttekening en Instondo.

Volgende
Volgende

IFFR – Reclaiming Animation: Jenny Barker on Female Pleasures and Feminist Film Practice