COLUMN / Navelpijn

© Maria Stanculescu

In deze vierdelige columnreeks verkent Loes van Rooij de dunne lijnen tussen moederschap, schrijverschap en vrouwelijkheid. Vanuit alledaagse, intieme momenten onderzoekt ze hoe we gevormd worden door de verhalen vóór ons en na ons. Over wat we erven, wat we doorgeven en de moed die nodig is om elkaar los te laten.

Ik vond hem gekreukt in een hoek. Een ronde vorm met puntjes als ogen en een streep als mond. De stokjes die eruit steken moeten armen en benen voorstellen. Midden op het hoofdlichaam staat een stip waarvan niet duidelijk is of het een misplaatste neus of een navel moet zijn. Het is een van de eerste kopvoeters die mijn dochter tekende. Later heb ik hem ingelijst en haar gegeven. Nu is ze veertien en heeft hij plaats moeten maken voor een foto van haar en haar beste vriendin. 

Ik heb navelpijn. Het is een pijn waarvan ik zeker weet dat hij bestaat, maar als ik hem opzoek, krijg ik alleen maar verwijzingen naar obstipatie en navelbreuken. 

“Ze zeggen dat je als onbeschreven blad op de wereld komt, maar de navel spreekt dat tegen. Hij is de markering van een kans, een wonde, een verhaal.”

Ik staar naar mijn navel, het litteken van een gebeurtenis die ik me niet kan herinneren. Ze zeggen dat je als onbeschreven blad op de wereld komt, maar de navel spreekt dat tegen. Hij is de markering van een kans, een wonde, een verhaal. De navelstreng om je nek, een blauwige baby, onwillig de longen vol te zuigen. Tot dan toe meer waterwezen dan landdier. Een plens koud water in je gezicht, het happen naar adem gaat vanzelf. 

Tegen het eind van de negende maand van mijn zwangerschap brak mijn navel. Niet als een breuk, maar als een krak. Hij kon onmogelijk nog verder uitpuilen dan hij al deed. Leonard Cohen zingt: there’s a crack in everything. 

Naar je navel staren heeft een vieze bijsmaak in de literatuur. Onterecht, volgens Melissa Febos in In praise of navel gazing. Betreed die ruimte, schrijft ze, wees persoonlijk. De enige manier om de kamer groter te maken is om alle verhalen erin te trekken. Die van de kinderen en de moeders en de moeders van de moeders. ‘Navel gazing is not for the faint of heart. The risk of honest self-appraisal requires bravery. To place our flawed selves in the context of this magnificent, broken world.’ 

We starten het moederschap allemaal in zekere zin hetzelfde: naïef, maar nooit als een leeg vel. We hebben voorbeelden gezien. We zeggen hoe we wel gaan worden, hoe we niet gaan worden. Een tijdje hebben we het in de hand. Een warm hoofd waar je suja prikkeltje voor zingt en jezelf mee de vergetelheid in wiegt. Je zorgt, je bent veilig en niets anders is nodig dan dat snorrende bewegen en dat soezen. Een roes die door de wereld, die nog altijd weerbarstig was, zal worden doorsneden. Een vlijmscherp besef dat je je niet in kindertijd kan verstoppen. Dat dit het is: een eindeloos wreed ontwaken.

Het is 36 graden buiten en we kijken in een koele bioscoop naar Toy Story 5. De iPad is de antagonist die het moet opnemen tegen het speelgoed, tegen het spelen überhaupt. Mijn favoriet blijft Toy Story 3. Het moment dat de cowboy, die ondertussen vriendschap heeft gesloten met de elektronische astronaut, achterblijft in de kamer van de jongen, gedumpt in een doos. De jongen die doorgaat naar de volgende fase, niet achterom kijkt. Zijn moeder die met hangende schouders in de kamer blijft staan. 

“Ik herken ook de ouders die ontwaken. Het schouderophalen, het aapachtige grijnzen dat je voor lachen zou kunnen aanzien.” 

Ik herken ze, de ouders die nog leven in de illusie. Ze lopen achter wandelwagens, geven biologische groentehapjes en de schermtijd bestaat uit Knofje en Buurman en buurman. Ik herken ook de ouders die ontwaken. Het schouderophalen, het aapachtige grijnzen dat je voor lachen zou kunnen aanzien. 

Adrienne Rich schrijft in haar essay Moederschap en dochterschap ‘[…] de moeder verliest haar dochter. Dat is de essentiële vrouwelijke tragedie. We erkennen Lear (de breuk tussen vader en dochter), Hamlet (zoon en moeder) en Oedipus (zoon en moeder) als grote belichamingen van de menselijke tragedie. Maar er is in onze tijd geen erkenning meer van de hartstocht en vervoering tussen moeder en dochter.’ 

Ik nam al zo vaak afscheid. van de versie die van mij was, voor even een gedeeld lichaam. Van hoe ze lag tegen de warmte van mijn hand, haar rug die precies in mijn palm paste. Van de versie met de kapotte voortand, omdat ik niet oplette bij de wipkip. De melktand in een doosje als bewijs dat ze ooit heeft bestaan in die vorm. 

Er waren keren dat ik me verzette. Ze kwam naar beneden met mascara op haar kindergezicht. Ik stuurde haar terug. ‘Ga je gezicht wassen.’ Ik heb vaak verkeerde dingen gezegd, in vormen die ongecontroleerd aan me ontsnapten. Woorden waar een waarheid achter sprak. Telkens dezelfde: blijf bij me, ga niet weg.

Ik doe mee aan een familieopstelling en mag een casus inbrengen. Ik vertel de begeleider: mijn dochter keert zich van mij af, ik weet niet meer waar ik sta. De vrouw met de helblauwe ogen plaatst me tegenover de persoon waar al mijn aandacht op is gericht. ‘Dit is je moeder,’ zegt ze. ‘Geef de zwaarte terug aan haar. Zeg: dit is van jou en dit is van mij. Vertel haar dat je niet langer de goede dochter zult zijn.’ 

Dan kijk ik verder. ‘Daar staat je dochter. Ontsla haar van haar rol. Zeg maar dat ze mag gaan spelen.’ Er valt iets uit mijn handen, waarvan ik niet wist dat ik er zo aan vasthield. Er is nu nog één persoon over. ‘Dat ben jij.’ De begeleider knikt naar de hoek van de kamer waar een vrouw uit het raam staat te staren. ‘Vertel haar dat haar dochter pas vrij is als jij het ook bent.’  

Ik wil haar het goede voorbeeld geven. In Utrecht bezoek ik een tentoonstelling over moederschap, een die ruimte geeft aan andere perspectieven dan de geromantiseerde beelden die we vaak hebben gezien. Mensen mogen een reactie achterlaten in de vorm van een boodschap aan hun moeder. Tussen de honderden briefjes aan de muur hangt er een waar ik naar blijf kijken: 

You are my mother and yet still a struggling child. Let’s meet in the middle.


Loes van Rooij is schrijver en docent. Ze schrijft verhalen en essays (soms iets ertussenin) die verschenen op literaire plaatsen zoals Seizoenszine, Het Rode oor en binnenkort op DIG, maar ook in verloskamers, openbare wc-ruimtes en op een duo oude wilgen. In haar werk onderzoekt ze thema's als het valse zelf, autonomie, moederschap en het loslaten van rollen. Er is altijd ergens plek voor bijzondere beesten en underdogs.

Volgende
Volgende

Buried, But Not Dead: The Queer Party Thrives Underground