COLUMN / Akoestisch verlies

In deze vierdelige columnreeks keert Saar Lermytte terug naar waar het menselijke denken ooit begon: bij wat ademt, pulseert, kleurt en kronkelt. Wat als we de mens als maat der dingen loslaten en ons laten inspireren door andere vormen van bestaan?

Terwijl de schemering zich paars over het bos laat zakken en de knoppen van nachtbloeiende lianen openscheuren, trekt een kleine vogel zich voorzichtig los uit de schaduw. Hij trippelt even rond, schudt zijn veren los en vouwt enkele lange staartpennen open. Met de overgave van een dirigent die het orkest tot leven wekt, legt hij zijn hoofd in zijn nek en kwettert, jodelt, ratelt en raspt. In zijn borstkas huist een bibliotheek van geluiden. 

De liervogel imiteert met feilloze precisie het gezang van andere vogels, het gekraak van takken onder zijn gewicht en het gezoem van insecten. Zo zingt hij een landschap bijeen waarin klanken over elkaar heen buitelen, elkaar onderbreken, aanvullen en tegenspreken.

De laatste decennia is dat landschap veranderd. De heuvelflanken, bestrooid met eucalyptusbossen, die ooit het klankarchief van de liervogel bepaalden, zijn met asfalt aan flarden gesneden. De overgebleven, rafelige snippers groen liggen geklemd tussen industrie, gladgeschaafde landbouwgrond en het oprukkende grijs van nieuwbouwwijken dat zich steeds dieper het bos invreet. 

De heuvelflanken, bestrooid met eucalyptusbossen, die ooit het klankarchief van de liervogel bepaalden, zijn met asfalt aan flarden gesneden.

De liervogel past zich noodgedwongen aan. Op YouTube circuleren video's waarin hij niet andere vogels, maar voorbijrazend verkeer nabootst, het gerinkel van smartphones of het gehuil van kettingzagen. 

Over de smalle repen bos waarin de liervogel nog leeft, hangt als een dichte mistsluier wat de Friese journalist Jantien de Boer 'landschapspijn' noemt: het stille, knagende verdriet om een omgeving die zo ingrijpend verandert dat herinnering en werkelijkheid elkaar nauwelijks nog herkennen. De mens heeft de omgeving van de liervogel opengelegd, drooggezogen, rechtgetrokken, ingesnoerd en verhakseld. Voelt hij landschapspijn? En bestaat er zoiets als akoestische pijn?

“De mens heeft de omgeving van de liervogel opengelegd, drooggezogen, rechtgetrokken, ingesnoerd en verhakseld. Voelt hij landschapspijn?”

‘regen op een tent / regen op een paraplu / gewoon regen (x2) / een Turkse tortel / vogelgeluiden (x7) / stappen op aarde / stappen op dorre bladeren (x2) / een hartslag / stappen op sneeuw / omg jaaa sneeuw / de wind (x2) / krakende bomen / liggend op je rug in zee, met je oren onder water / kikkers / of in de douche, als je je handen om je oren heen vouwt / geroezemoes / kabbelend beekje (x4) / vuur / verre onweersrommel / insectengezoem (x3) / opname van een specifieke, niet nader bepaalde vogel / water dat tegen rotsen slaat / krekelgetjirp (x2) / een specht’

Ik vroeg 39 mensen die ik liefheb naar hun lievelingsgeluiden. Niemand antwoordde met een laaghangend vliegtuig of een bladblazer die de ochtend openrijt. Toch zijn het juist die klanken die onze dagen kleuren. Onderzoek wijst uit dat wegverkeer, vliegtuigen, treinen, bouwactiviteiten en stadsgeruis de meest voorkomende geluiden op aarde zijn. Ze trekken in metersdikke boomstammen, sijpelen de bodem in en dringen door tot ver onder het oceaanoppervlak. Zelfs op 11.000 meter diepte, het diepste punt van de oceaan, zijn de lage bassen van seismisch onderzoek hoorbaar. Geen plaats op aarde is vrij van menselijk geluid; overal rollen, bonken en dreunen onze klanken de wereld binnen. De liervogel neemt dat alles op in zijn repertoire. Zijn lied is een echo van de akoestische staat van onze wereld.

Ook de klanken die we wel bewust opzoeken, lijken steeds vaker op elkaar. In steden, huizen en digitale omgevingen omringen we ons met geluiden die voorspelbaar zijn en makkelijk te herkennen. Streamingdiensten raden muziek aan op basis van wat we al kennen en waarderen. De meeste muziek maakt bovendien gebruik van vergelijkbare akkoordenschema's, ritmes en tekststructuren. Muziekwetenschappers hebben bijvoorbeeld aangetoond dat een beperkt aantal akkoordprogressies – zoals de bekende I–V–vi–IV-reeks – terugkeert in honderden hits uit verschillende decennia. Die tendens beperkt zich niet tot muziek. Geluidsisolatie, noise-cancelling of stiltewagons creëren een akoestische omgeving waarin verrassingen tot een minimum worden herleid. Onze oren raken daardoor steeds minder vertrouwd met het schurende, het grillige en het meerstemmige van de wereld. 

“Onze oren raken steeds minder vertrouwd met het schurende, het grillige en het meerstemmige van de wereld.” 

Misschien merken we daarom de vogels om ons heen nauwelijks nog op tussen het wegverkeer en stadsgeruis, laat staan dat we naar hen luisteren. Want luisteren vraagt ruimte, aandacht en ontvankelijkheid voor het onverwachte. Het vraagt dat we ons laten verrassen door klanken die zich niet voegen naar onze patronen, maar hun eigen weg gaan. 

Landschapspijn schuilt niet alleen in wat we zien verdwijnen, maar ook in wat we niet langer kunnen horen. Daarmee verdwijnt ook een bron van verwondering, troost en plezier. Vogelzang blijkt bijvoorbeeld net zo effectief te zijn als antidepressiva. Misschien, schrijft journalist Tine Hens, komt dat doordat mensen nooit zonder vogels hebben geleefd en altijd door hun gekwetter zijn omringd. Komen daarom zoveel van onze lievelingsgeluiden uit de natuur? Raken ze aan iets dat ouder is dan wijzelf? Een trilling die zich in het lichaam van onze voorouders heeft vastgezet en blijft resoneren. Generatie op generatie, ook wanneer de wereld om ons heen verandert. Een akoestische erfenis, een sluimerende herinnering aan hoe de aarde klonk voor het constante menselijke lawaai.


Saar Lermytte (zij/haar) probeerde een bio te schrijven die netjes uitlegt wie ze is en wat ze doet, maar raakte onderweg afgeleid door de vraag of woorden kunnen gisten. Sindsdien twijfelt ze aan het nut van afgeronde zinnen wanneer lichamen, seizoenen en identiteiten dat zelden zijn.

Volgende
Volgende

Naweeën