Naweeën
Laurelu Lauwers schetst een intieme, geladen ontmoeting tussen ouder en kind, waarin alledaagse zorg en onderhuidse spanning langzaam in elkaar grijpen. In een verstikkende zomerse sfeer ontvouwt zich een verhaal over nabijheid, afstand en wat onuitgesproken blijft.
Ik herinner me die dag, toen het moederschap me als een vreemde in de ogen keek.
Het was een zondag, eind september. De lucht in de stad was klef en zwaar. Mensen wuifden zich koelte toe met kranten en balkons vulden zich met roze opblaasbaden. In ons appartement huisden kolonies vliegen, die in tientallen het leven lieten in de kleefrollen aan het plafond.
Je verschuilde je die zomer achter de lamellen in je kamer. Achter het blauwlicht en de pixels van je computerscherm. Overdag sliep je met de radio aan, ’s nachts leefde je virtueel. Door combinaties van knoppen slachtte je digitale lijven af, maaide je wezens neer die telkens terugkeerden.
Elke ochtend maakte ik je wakker, zette muesli met melk en suiker klaar. Stopte je in wanneer ik thuiskwam. Vulde de waterfles naast je bed met rozebottelthee of limonade. Ik belde je vrienden van school om nog eens langs te komen. ‘Het was al lang geleden,’ zeiden ze. Ik vertelde je niet dat ze kwamen of wanneer ze zouden aanbellen. Liet de bel gaan tot ik je uit bed hoorde stappen.
Ook belde ik weer met je vader. ‘Hij heeft je stilte opgenomen,’ zei hij. En dat ik luider had moeten zijn. Daarna kon ik meestal niet slapen: ik ging naar je toe, lag op je bed en luisterde naar het tikken van je duimen op de controller. Keek naar je schouders, de tattoos die je sinds je zestiende verzamelde.
“Je trok me naar je toe, plooide je tengere lijfje om me heen. Je vroeg me niet waarom ik niet meer at aan de keukentafel en borden liet opstapelen op en rond mijn nachtkastje.”
Soms droomde ik over de nachten toen je nog een kind was en bij me in bed kroop. Je trok me naar je toe, plooide je tengere lijfje om me heen. Je vroeg me niet waarom ik niet meer at aan de keukentafel en borden liet opstapelen op en rond mijn nachtkastje. Waarom ik niet meer met je wandelde, langs het park en het station, tot aan de schoolpoort. Je liet je hoofd rusten op mijn borst, spiegelde je ademhaling aan de mijne. Bleef tot ik sliep.
Die zondag in september kwam je uit je kamer. Je keek toe hoe ik een rugzak vulde met gesmeerde boterhammen en rode aquarius. Hoe ik een lange broek voor je klaarlegde, een regenjas en een pet.
‘De app voorspelt nat weer,’ zei ik. Jij zei iets over kleffe miezerregen en ‘hoe warm die wel niet is’. Ik wuifde het weg, kuste je voorhoofd, knoopte nog een sjaaltje rond je hoofd.
We reden naar het meest zuidelijke punt van de Ardennen. Tijdens de wandeling liepen we achter elkaar, met wat meters tussen ons in. Wezen soms een bloem of kever aan. Na enkele uren wandelen kwamen we uit op een weide met lang gras. We legden ons neer onder de hitte en de miezerregen.
Je handen plukten aan het gras. We deelden lange vingers en minuscule moedervlekjes op die vingers. Ik keek naar je wimpers, ging met mijn handen door je gekortwiekte haren.
“Ik knipte als kind al het haar van mijn vader en broer. Daarna knipte ik als moeder de jouwe.”
Ik knipte als kind al het haar van mijn vader en broer. Daarna knipte ik als moeder de jouwe. In de eenzit in de living, met onze kat op schoot. Wellicht zag je het niet aankomen, maar de kat stierf eerder dan jij. Je zocht haar soms nog in de kieren van het huis. Daarna stopte je en keek je door het raam naar de lucht.
Die dag in de Ardennen vertelde je dat je de keuze had gemaakt. Een papier had ondertekend en een datum had gekozen. In het ziekenhuis was je alleen. Je had de hand van de dokter geschud, bedankte hem. Nam de bus naar huis.
Het was het ziekenhuis waar je twintig jaar eerder was geboren. Je kwam in de lente. Na de weeën, het duwen. De verplegers, de dokter, hun handen en gehaaste routine. Daarna jij. Onze eerste wandeling was een wandeling door het ziekenhuis. Iemand duwde me in een rolstoel, jij lag in mijn schoot. Je rook naar talkpoeder en metaal.
Toen je, omringd door het groen, over je uitweg vertelde, keek ik naar de wolken. Ik dacht aan je slaapkamer, aan het bed en de lamellen. Aan het oranje dat zich over je kamer heeft verspreid: lakens, gordijnen, tapijt, muren. Boven ons scheerden zwaluwen die noch lucht noch weiden raakten. ‘Pew pew’ zei ik. Je kroop tegen me aan, legde je hoofd op mijn borst. Je vertelde over hoe het vroeger was, ik liet je begaan.
Laurelu Lauwers (she/her) is a writer, literary and film scholar, editor and presenter based in Antwerp, Belgium. Her literary works span prose, poetry, essays and columns. She was previously a 2020 Zomerkaping resident at Creatief Schrijven and a 2023 Zomerkamp resident at DAS MAG. Lauwers is currently working with organisations such as The Flemish Audiovisual Fund (VAF), Youth Film (JEF) and Youth Film Festival Antwerp.